Op naar het feest

Op naar het feest

9-03-2016


Het Jodendom wijst een duidelijke richting: vier je feesten! In de Bijbel is het God zelf die zijn volk opdraagt om op vastgestelde momenten feest te vieren: Pascha, Wekenfeest (Pinksteren), Loofhuttenfeest. Feest vieren is geen toeval, maar een gebod, dat om planning en voorbereiding vraagt. Het heeft bovendien uitdrukkelijk een sociale dimensie. Ook je kinderen, je werknemers en mensen die geen familie meer hebben moet je uitnodigen om het werk van alledag neer te leggen en het feest mee te vieren. Deuteronomium 16 illustreert dit bij uitstek. Een feest is een moment om (hernieuwd) gemeenschap te stichten. Doelbewust de zorgen en de drukte van het dagelijks bestaan opschorten om in gezamenlijkheid te vieren waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat.

Jezus en zijn leerlingen tonen zich in de evangeliën schatplichtig aan deze feesttraditie. Op de vastgestelde datum vieren ze Pascha in Jeruzalem: het feest van de Uittocht uit de Beklemming. Voor Jezus vormt het gedenken van de Uittocht niets minder dan het onder ogen komen van de beklemming nú. De Uittocht van toen is de Uittocht van vandaag; 'Egypte' kan overal zijn, in eigen land en stad of zelfs in eigen huis en lijf.

Die actuele dimensie van Pascha is nieuw voor de leerlingen en bereikt een climax met de dood en opstanding van Jezus. Geleidelijk realiseren zij zich dat in zijn onderdoorgang zich uittocht manifesteert. Tijdens het Wekenfeest (Pinksteren) krijgen zij ook zelf de Geest. Over de grenzen van taal en cultuur heen ontstaat een nieuwe feestgemeenschap die de aloude joodse feesttraditie wereldwijde relevantie geeft.

Het accent op feest past in het plaatje. Reeds onderweg naar Jeruzalem toe toont Jezus zich een ‘feestvierder’. Hij is uit op ontmoeting, haalt er mensen bij die er volgens anderen niet bij horen; hij sticht gemeenschap waar die niet was. Omdat daarbij ook dikwijls gegeten en gedronken wordt, krijgt Jezus de naam een 'veelvraat' en een 'dronkaard' te zijn (Matt. 11: 18-19). Waar hij komt blijkt overvloed te zijn in plaats van tekort, voldoening in plaats van bezorgdheid, zoals prachtig naar voren komt in het verhaal over de bruiloft te Kana.

De veertig dagen voor Pasen zijn een voorbereidingstijd. De gemeente van Christus maakt zich gereed voor 'feest'. We stellen ons opnieuw in op overvloed. Die opdracht stelt de kerk zich voor als een 'leerweg'. Met andere woorden: een feestgemeenschap word je niet vanzelf. Het vraagt erom opnieuw het contrast te leren zien en ervaren tussen tekort en overvloed, tussen werken en voldoening, tussen strijd en vrede, tussen eenzaamheid en gemeenschap. Die dubbelheid brengen we ons ook op zondag te binnen: we ontvangen wijn en brood als feestelijke tekenen van hemelse overvloed, maar tegelijkertijd is er een sfeer van inkeer en soberheid. In die tussenruimte - dat heen en weer - wil Hijzelf ons de ogen en het hart openen voor zijn feest.

Ds. Eward Postma